Jong zijn in 2021

AchtergrondJong zijn in 2021

Aan de vooravond van nieuwe lockdownachtige maatregelen ging journalist en schrijver Koen Bruning voor Nieuwskamer in gesprek met jonge Nederlanders. Wat begon als een generatie portret in crisistijden resulteerde in een verhaal over bewegingsvrijheid, over de toekomst van het coronabeleid en daarmee van ons land

Geschreven door: Koen Bruning

Twee dagen lang sprak ik met jongeren in de omgeving van Enschede, Urk en Amsterdam Zuid-Oost. Van raadsleden tot jongerenwerkers tot jonge ondernemers. 

Ik wil niet alleen met deze jongeren praten omdat zij in het publieke debat weinig gehoord lijken te worden, maar ook omdat het een interessante generatie is. Een generatie waarbinnen velen sinds de coronacrisis op een totaal andere manier kennis hebben gemaakt met de invloed van de overheid en politiek op hun eigen leven. Een generatie die ook al kampte met grote vraagstukken zoals wonen, sociale ongelijkheid, identiteit, sociale media, geloof en individualisme. 

Mijn eerste gesprek voer ik met de jonge ondernemer Nydel Forgweh (21). Geboren en getogen in Amsterdam-Zuidoost lanceerde hij recent zijn eigen kledinglijn ‘The Forest Clothing’. Hij is klein van bouw, gespierd en praat met beweeglijke handen. We zitten bij hem thuis en terwijl hij eten op tafel zet, praten wij niet alleen over zijn achtergrond, maar ook over hoe het was om juist dit jaar zijn merk te lanceren. ‘Je moet je voorstellen dat ik hier al drie jaar mee bezig ben, waarvan bijna 2 jaar in coronatijd.’

Er wordt gezegd ‘we doen het samen’, maar eigenlijk doen we samen niks.

Met Nydel gaat het, ondanks de uitdagingen van het tijdens de coronacrisis opzetten van een kledinglijn, goed. Maar zijn vertrouwen, en het vertrouwen van mensen om hem heen, in de overheid wordt lager. Het is een thema wat vrij snel naar boven borrelt. 

‘Iedereen wist dat het even ging duren, er was veel onduidelijk’, zegt Nydel over de beginperiode van de pandemie. Nydel is zich in die periode meer gaan verdiepen in de politiek. Wat is er aan de hand? Wat betekent dit virus? Hoe werkt politiek? Wie beslist en waarom? 

Nydels vertrouwen zakte weg toen we, in zijn woorden, van lockdown, naar lockdown, naar opening, naar lockdown gingen.

‘Ik voel me voor de gek gehouden, omdat ik dan denk: nemen we wel de juiste keuzes, of zijn we maar wat aan het doen? Ik neem het Rutte niet per se kwalijk, want het is heel moeilijk, maar dan moeten ze ook niet doen alsof ze het zo goed weten. En dat blijkt uit de maatregelen. Ze verdoen onze tijd met de soort communicatie die we nu krijgen. Er wordt gezegd ‘we doen het samen’, maar eigenlijk doen we samen niks. Het afgelopen jaar hebben we het samengedaan, we hebben ons keurig geprikt en nu kunnen we weer opnieuw een lockdown in. Het gebrek aan consistentie heeft mij, maar ook veel jongeren om mij heen die een bedrijf hebben opgestart of gingen studeren, beperkt of zelfs doen besluiten niet door te gaan.’

In het boek dat vorig jaar verscheen ‘Een land met kleine buffers (2020), schrijft econoom Dirk Bezemer dat Nederland genoeg geld heeft, maar dit niet heeft geleid tot hogere buffers. Een financiële buffer hebben is belangrijk, omdat je je daarmee kunt voorbereiden op onverwachte uitgaven. Bezemer gebruikt de term ‘kleine-bufferkapitalisme’ om een systeem te beschrijven waardoor de afgelopen veertig jaar in Nederland vooral vermogensopbouw heeft plaatsgevonden ten koste van buffers die kunnen zorgen voor innovatie en veerkracht bij bedrijven en vooral huishoudens. 

Het gevolg is dat samenlevingen crises steeds minder goed aan kunnen. Enerzijds doordat onze mentale gezondheid bezwijkt onder de stress van schulden, onbetaalde rekeningen en minderwaardig werk. Anderzijds doordat de schulden economieën fragieler maken: mensen geven minder uit, waardoor het dal van de economie dieper wordt en het herstel stroever. 

Nydel maakt zich zorgen over de langetermijneffecten die huidige coronacrisis heeft op hem en zijn omgeving, zeker wanneer de politiek steeds minder goed naar mensen luistert.‘Als je in de Tweede Kamer zit of expert bent, heb je gemiddeld zoveel meer op orde, waardoor je ook klappers achter je hebt: je hebt iets in de achterbank. Je hebt buffers, zeg maar. Niet alleen in geld: je weet dat je rond kan komen. Maar ook in netwerk: je vindt vaak echt wel een baan ergens anders. In een wijk als Zuidoost, waar één fout soms fataal kan zijn hebben veel minder mensen goede buffers. Of dat nu buffers in kennis, geld, rust, of connecties zijn. Wij worden harder geraakt.’

Nydel Forweh (21) bij zijn oude basisschool De Blauwe Lijn. Op school vroegen zijn klasgenoten hem vaak of hij jarig was omdat hij altijd opvallend goed gekleed naar school kwam. Foto: Max Boogaard.

Deze opmerking van Nydel doet mij denken aan wat Ron Meyer, fractievoorzitter van de SP in Heerlen ook constateert: ‘het coronavirus is een klassevirus.’ Het treft mensen met een bescheiden inkomen bovengemiddeld vaak en hard. Velen van hen zijn jongeren.

Buffers geven mensen ruimte om te experimenteren en fouten te maken, waardoor we als land meer innovatie kennen, en mensen meer (mentale) ruimte hebben over de langere termijn na te denken. 

‘Nu durven jongeren dat steeds minder: wie weet wanneer de besmettingscijfers tenslotte weer stijgen? Er is totaal geen duidelijkheid over de langetermijnstrategie voor dit virus, over de keuzes die we land willen maken in hoe we er mee samenleven. Hierdoor kunnen jongeren en mensen hun gedrag er ook niet goed op afstemmen.’ 

Nydel verschuift op zijn stoel en vervolgt:

‘Let op wat er gebeurt wanneer de buffers van de middenklasse in steden en dorpen als Weesp, Aalsmeer en Uithoorn opraken. Die mensen zullen namelijk wel eisen dat er iets anders moet gaan. Die hebben meer te verliezen dan ons’, meent hij.Het gesprek met Nydel maakt indruk op mij. Hij heeft een vlijmscherp oog voor wat er gebeurt in ons land: een oog voor wat onzekerheid en kortetermijnbeleid doet met jongeren.

Tussen twee rollen in

Mijn volgende stop is Enschede. Het kost mij een rit met een kleine pendeltrein vanaf het station om bij een organisatie aan te komen die in Oost-Nederland jongerenwerk verricht. Een van de werknemers, ontvangt mij. Hij lacht en zegt mij gedag. Ik loop met hem naar boven en even later zitten we aan de thee. Hij werkt hier al jaren. Ik luister naar hem terwijl hij met zijn armen over elkaar geslagen ontspannen uitlegt wat zijn organisatie doet. Hij vertelt hoe ze in een continue workflow zitten van diensten leveren aan de gemeente, ‘resultaten’ overleggen en mondelinge en schriftelijke ondervragingen. De vraag die de gemeente vaak stelt: zijn jullie waar voor je geld? Of gekscherend gesteld: halen jullie genoeg hangjongeren van de straat af?

Ik wil tegen hem zeggen: ‘dit laat wel echt de vermarkting van onze overheidsorganisaties zien, hè? Neoliberalisme! Beheersing!’ – mijn eigen theoretische stokpaardjes. 

De uitleg die ik krijg is simpeler. ‘Soms zijn dingen niet te meten, zeker niet op de korte termijn. Zo geef ik drie jaar geleden een jongen een schop onder de kont, met niet bepaald een wederkerige dank terug, maar vraagt hij mij drie jaar later of hij hier stage mag lopen en vertelt hij mij over hoe ik zijn ogen heb doen openen.’

‘Het ene moment zijn we jongere en hebben we ook gedachten over hoe het anders moet en het andere moment zijn we voor veel jongeren het gezicht van de overheid.’

Het is hetzelfde wat de vier jongerenwerkers Lofti (20), Sara (23), Rico (22) en Mohammed (17) mij vertellen wanneer we tien minuten later met z’n vijven rond de tafel zitten: dit werk doet wat met hen. Het geeft ze het gevoel waardevolle lessen aan jongeren mee te geven. Het is een groep jongeren die veel met sociale media bezig is, zeggen ze. Ze luisteren naar influencers en apen hen, vaak omdat ze zich vervelen of zich slecht voelen, na: van drugs tot alcohol. 

Sara maakt zich zorgen om de invloed die influencers hebben. ‘Ik vind het best heftig als ik verhalen van jongeren hoor, dat ze bijvoorbeeld als 14-jarigen al daarmee bezig zijn. Jongeren die drugs gebruiken zien ook dat influencers zeggen dat ze er ‘rustig van worden, en jongeren met problemen gaan dan ook vaak denken: ‘misschien wordt ik er ook wel rustiger van.’ 

Tijdens deze crisis hebben ze de invloed van social media en het drugs- en alcoholgebruik onder jongeren zien groeien. Dit heeft hun werk er niet makkelijker op gemaakt, zeggen ze.  

‘Het is een vorm van afleiding, misschien wel nieuwsgierigheid ’, zegt Lofti. ‘Alleen wanneer ze dan later tegen een echte tegenslag lopen, zijn ze veel gevoeliger om ooit verslaafd te raken.’

Deniz Dönmez (21), Raadslid van de PvdA Enschede en Gyula Rychtarski (31) van Young Twente Board, een organisatie die Twentse jongeren een stem geeft, vertellen mij een paar uur eerder over de regio Enschede en wat jongeren hier hebben meegemaakt in de corona periode. Het is niet alleen een verhaal van een stad wiens bedrijven voor 70% uit midden- en kleinbedrijven (mkb) bestaat, waar techniek en innovatie een belangrijk onderdeel vormen van de lokale economie. Het is ook een verhaal van een stad waar een tweedeling bestaat. Waar de ene jongere, de praktisch opgeleide, harder door de coronacrisis is geraakt dan de andere theoretisch opgeleide. En waar de Twentse nuchterheid van ‘niet zeuren en doorgaan’ soms moeilijk te verenigen is met een overheid die op incidentele basis maatregelen lijkt door

‘We merken op school dat de jongeren die beloftes echt wel onthouden.’

‘Er zijn zoveel beloftes gemaakt,’ zegt Mark. ‘Denk alleen al aan de campagne Dansen met Janssen. Iets wat achteraf totaal niet kan, maar er wordt ook niet op teruggekomen. Er wordt weinig teruggekoppeld of gereflecteerd. En als ik naar mezelf kijk denk ik: “we moeten wel echt flexibel zijn.”’

Sara herkent dit. ‘We merken op school dat de jongeren die beloftes echt wel onthouden. Dat hun vrijheid wordt beloofd en dat dat weer wordt weggenomen en er vervolgens weinig uitleg wordt geboden. Iets wat niemand van ze zou accepteren, zeker de gemeente niet.’ 

Rico voegt er met zorgelijke toon aan toe: ‘Er is geen vertrouwen en op een gegeven moment moet je dan ook nog eens in groepen werken – gevaccineerd en niet-gevaccineerd. Met sommige doelgroepen kan dat op dit moment gewoon niet. Voor ons is vervolgens de vraag of we die binding met hen kunnen houden, continu de vraag: houden we hun vertrouwen? Want die maatregelen: ze zijn voor ons heel moeilijk uit te leggen, mede door de onduidelijkheid. We bevinden ons als het ware in twee rollen. Het ene moment zijn we jongere en hebben we ook gedachten over hoe het anders moet en het andere moment zijn we voor veel jongeren het gezicht van de overheid.’

Wat Rico, Lofti, Sara en Mo hier omschrijven lijkt samen te vallen met een bredere trend die we binnen overheid en gemeentes zien. Omdat kosten sinds de jaren tachtig zoveel mogelijk ‘beheerst’ moeten worden, groeit de behoefte aan toezicht en controle en regels. Mede door het op afstand zetten van overheidsorganisaties, ontstaat er een steeds dikkere tussenlaag tussen de gemeentelijke bestuurder die politiek verantwoordelijk is en de uitvoerders. 

Volgens Herman Tjeenk Willink (2018) in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’, worden uitvoerders ‘ in een keurslijf van normen, protocollen en modellen gedwongen. De managers of bestuurders niet. De mogelijkheden om aandacht te besteden aan de individuele patiënt of cliënt worden beperkt. Hun professionaliteit op de proef gesteld. Elke normering, elk protocol, elk model houdt een reductie in van de veelkleurige werkelijkheid waarin burgers leven en uitvoerders hun functie uitoefenen.’ 

De verhalen die de jongerenwerkers mij vertellen zijn hier een perfect voorbeeld van. De maatregelen die zij vanuit de gemeente moeten handhaven staan op spanning met het jeugdwerk wat zij doen en de werkelijkheid die zij dagelijks op straat tegen komen. 

‘Wat ongelooflijk kut’, zeg ik met een vleugje woede. 

‘Dat is het inderdaad, ja’, zegt Lofti. ‘We kunnen niet eens uitleggen waarom wij de zaal nu voor de zoveelste keer niet kunnen openen, terwijl ze ons wel buiten zien lopen en vragen: ja, maar waarom niet dan? Jullie zijn hier toch? Dan kan de zaal toch ook wel even open ondanks dat het al vijf uur is geweest?’ Ik merk aan Lofti dat hij begrip heeft voor de jongeren.

‘Jong zijn gaat om ontdekken en ontwikkelen. Je komt dingen tegen en je komt jezelf tegen. Jong zijn gaat om de grenzen zoeken.’

Deze jongeren hebben overdag geen vrije tijd, omdat ze dan in drukke klaslokalen zitten. Vervolgens mogen ze niet onder onze toezicht binnen voetballen, bijvoorbeeld met zelftests. Maar doen dat dan wel zonder toezicht buiten op straat, daar waar ze ook veel eerder door ander soort groepen opgenomen kunnen worden. 

Lofti vervolgt: ‘Criminele groepen die geen coronaregels kennen, deze jongens geen schop onder de kont geven of wat tough love bieden, maar ze wel een vorm van status of sociaal toebehoren kunnen geven in de maatschappij.’

Lofti worstelt met de beperkte mogelijkheden die ze als jongerenwerker hebben om hier iets aan te doen. ‘We kunnen niets ondernemen zonder eerst met de gemeente te bellen. Alles wordt beheerst en gecontroleerd. Ondertussen zitten de jongeren thuis op sociale media of op straat te hangen. Op papier zijn we dan goed bezig.’

Communicatie

‘In de zomer waren jullie toch vrijer? De beperkingen zijn toch tijdelijk?’ Dit is een tegenwerping die vaak wordt gegeven wanneer jongeren hun problemen op tafel leggen. Toch zou dat een verkeerde gedachte zijn. Jongerenwerkers als Sara, Rico, Lofti en Mo verwachten namelijk geen absolute vrijheid temidden van een pandemie maar op z’n minst het vertrouwen om in hun buurten met jongeren samen te werken aan oplossingen.

‘Jong zijn gaat om ontdekken en ontwikkelen. Je komt dingen tegen en je komt jezelf tegen. Jong zijn gaat om de grenzen zoeken. Op je bek gaan. Wat mag wel en wat mag niet’, begint Rico met opgewekte toon. ‘In het zaalvoetbal gebeurt dat natuurlijk ook met de jongeren. De uitdaging is nu, zeker voor de huidige generatie jongeren, dat als je tegenwoordig een grens opzoekt, je veel eerder een botte overheid en politie tegenover je krijgt.’

Lofti vult een tikkeltje gefrustreerd aan: ‘Toen wij op een veldje met een groepje aan het praten waren, onder andere met een jongen wiens beide ouders aan kanker waren overleden, werden wij door de politie zonder goedemiddag en een redelijk gesprek verteld dat ze nog een rondje gingen maken, en als we dan niet weg zouden zijn, een boete zouden krijgen.’ 

Volgens Lofti  moeten we juist blijven praten met de jeugd en hen soms wat meer ruimte geven. Hij vreest dat als ruimtes worden ingeperkt zonder goede uitleg dit brandstof kan zijn voor rellen. ‘Ga nadenken over wat wel kan. Geef ons en andere uitvoerders ook meer duidelijkheid, meer ruimte eigen beslissingen te maken en met de jongeren of patiënten te communiceren. Dan komen we al een heel eind’

Urk

Mijn laatste stop is op Urk. Het is op Urk, want Urkers zien het nog steeds als een eiland – dat was het ook voordat het opging in de Flevopolder. Ik neem een bus vanuit Kampen om daar te komen. Wie aan Urk denkt, denkt misschien niet meteen aan de jongere generatie. Maar Urk is in vergelijking met de rest van Nederland een jonge stad. Het bestaat voor 47% uit mensen onder de 26 jaar. In de corona periode is Urk vaak negatief in het nieuws is gekomen. Dit maakt mij nieuwsgierig naar hoe de jongeren hier dit jaar hebben beleefd.

‘Urk kent een lange geschiedenis met de dood: de zee ligt en lag altijd op de loer. We staan er daarom, ook door religieuze redenen, anders tegenover dan in de rest van het land.’

Urk is een stad die geheel een andere weg heeft gekozen in de omgang met het virus, vertelt de goedlachse Meindert mij. Meindert is een 43-jarige lokale horecaondernemer die die veel jongeren kent en in dienst heeft: ‘In het begin hebben we zeker discussies gehad. Veel was tenslotte onzeker. Er gingen ook veel mensen dood. Maar naarmate de tijd vorderde, gingen mensen dingen wel heroverwegen. Toen is ergens, najaar, 2020, een beslissing gevallen: We kiezen onze eigen weg. We houden ons minder aan de maatregelen.’ 

Ik kijk verbaasd. Mijn gezicht schreeuwt om toelichting. 

‘Kijk, als mensen bij bosjes om je heen neervallen, is het een ander verhaal. Maar dat is hier niet het geval. Het sterftecijfer is ongeveer even hoog als landelijk. De besmettingen zijn wel hoger, maar, de vraag is dan uiteindelijk: wat hadden we kunnen voorkomen als we de landelijke maatregelen hadden gehanteerd, en wat geef je daar dan sociaal en mentaal voor op? Op Urk zijn we namelijk verbonden met elkaar, het is een totaal ander soort gemeenschap. We kennen een heel ander soort sociale structuur, een heel ander soort samenleving. Als je bedenkt dat we hier de grootste gezinnen hebben, gigantisch veel productiewerk, en iedereen zijn familie hier woont, dan snap je dat het hier veel moeilijker is elkaar te mijden.’

Miriam (18) in de haven van Urk. Miriam is onderwijsassistent in opleiding en werkt momenteel in de visserij. Foto: Max Boogaard.

Maar als ouderen sterven heeft dit toch ook juist een grote impact op de gemeenschap, vraag ik mij af. 

Maar Meindert vervolgt al voordat ik mijn gedachten uit kan spreken;

‘Daarnaast kent Urk een lange geschiedenis met de dood: de zee ligt en lag altijd op de loer. We staan er daarom, ook door religieuze redenen, anders tegenover dan in de rest van het land. De verdeeldheid die ik in de rest van het land zie, zie ik hier ook minder. We hebben hier samen een andere weg gekozen.’ 

Filosofe Josette Daemen schreef recent in een veel belezen stuk van NRC dat ‘een goede omgang met corona als blijvend verschijnsel vereist dat we reflecteren op de vraag: in wat voor wereld willen we leven?’ Daarop zijn verschillende antwoorden mogelijk volgens haar.  ‘In de ene wereld worden gezondheidsrisico’s maximaal ingeperkt, maar geven we veel van onze oude vrijheden en rechten op. In een andere wereld accepteren we meer ziekte en sterfte, maar houden we de scholen altijd open en blijft vaccinatie helemaal vrijwillig. In weer een andere wereld gooien we de belastingen omhoog, om coronahospitalen te bouwen en de publieke ruimte permanent in te richten op een optimaal geventileerde anderhalve meter samenleving. 

Dit zijn maar voorbeelden, zegt ze. ‘Het is echter aan politieke partijen om vanuit hun ideologische waarden te schetsen wat voor samenleving zij voor zich zien als corona daar langdurig onderdeel van uitmaakt. En het is aan ons om uiteindelijk tussen die verschillende toekomstbeelden te kiezen.’

Het gesprek dat Josette voorstelt over welke omgang met corona wenselijk is, hebben ze op Urk tot op zekere hoogte met elkaar gehad en vervolgens is er een keuze gemaakt. Samen. In de landelijke politiek en het publieke debat is dit gesprek nog niet op gang gekomen. Dit geeft ruimte aan de politieke flanken. Niet alleen de jongeren in Amsterdam en Enschede zagen dit, maar ook Meindert: 

‘Waar is het redelijke midden gebleven? Hierdoor verwordt het debat tot enkel extremen en is er geen ruimte voor milde standpunten of discussie over hoe met dit virus om kunnen gaan.’

Als ik een uur later met Lejah (19), Ruben (17), Miriam (18) en Marco (19) zit, vier Urker jongeren, herkennen ze deze verharding, vooral in de benadering die de media heeft tegenover Urk;

‘Die is altijd negatief’ zegt Miriam. 

‘Klopt’, vult Lejah Miriam aan, ‘vaak omdat een krantenkop beter scoort waarop staat dat Urk zich niet aan de maatregelen houdt of mensen in beeld worden gebracht met zwarte kousen en extremere opvattingen, dan het milde geluid laten horen of het gesprek aan te gaan over hoe wij hier met corona omgaan.’

Lejah (19) in de haven van Urk. Lejah werkt in de lokale snackbar en studeert fotografie. Foto: Max Boogaard

‘Het heeft ook wel met het christelijke te maken’, zegt Ruben. ‘We zijn altijd die halve zolen, of religekkies. Nooit wordt de discussie aangegaan. Hierdoor is ook onze relatie tot de buitenwereld meer verhard geraakt.’

Op een vriendelijke maar toch resolute wijze voegt Marco er aan toe; ‘het is ook de reden waarom we niet zomaar met journalisten spreken hier.’

Ik loop met Miriam nog even door de haven. Ik vertel haar dat ik mij een beetje als een toerist voel. ‘Dat ben je ook’ zegt ze. “Iedereen ziet gelijk dat jij een Nederlander bent, een ‘vreemde’ noemen we dat.”’

Mijn bezoek aan Urk confronteert mij met hoe verschillend jongeren in Nederland van elkaar leven. Generatiegenoten die vanuit een heel ander waardesysteem hun politieke opvattingen hebben gevormd. Hoe goed kennen we hun wereld nu echt?

Politiek draait om die verschillende identiteiten. In hoeverre we ons met anderen kunnen identificeren beïnvloedt hoe goed we in ons land met elkaar samenwerken en elkaar verdragen. De steeds groter wordende macht van techbedrijven en de door hen beheerde algoritmen kunnen hierin een pervers effect hebben, schrijft politicoloog Jan-Werner Muller in zijn boek Wat is democratie?. Zo vastgeplakt als wij aan onze telefoons zijn ligt hier voor onze generatie een grote opgave: het herstel van een redelijk publiek debat met ruimte en waardering voor meerdere identiteiten.

Wat de Urker jongeren mij hier zeggen is belangrijk voor het hele land. Want ook zij voelen hoe Urk zich nog meer van de buitenwereld aan het afkeren is. Juist omdat ze continue op hun religieuze of dorpse identiteit worden aangevallen. Net zoals we landelijk elkaar dreigen te verliezen in het coronadebat. 

Na twee dagen gesprekken voeren is inmiddels in Den Haag een nieuwe lockdown aangekondigd. Met de jaarwisseling zullen alle jongeren die ik gesproken heb voornamelijk binnen zitten. De gesprekken laten zien dat er een jongere generatie is, de toekomst van ons land, die klaar staan om te ondernemen, experimenteren, verantwoordelijkheid te nemen en op hun bek te gaan.

Maar zonder perspectief komen ze niet uit de startblokken of worden ze bij ieder initiatief afgeremd. Het wordt daarom dringend tijd dat de overheid het lange termijn gesprek op gang brengt over hoe we weer gaan leven met dit virus. Het betekent dat er ook inbreng en expertise van onderop, van jongeren, moet kunnen zijn in deze discussie. Een overheid die in plaats van lange termijnperspectief te schetsen toegeeft aan beheersing en controle zal haar legitimiteit onder jongeren verder verliezen. 

Ik denk aan de ondernemende Nydel die vooruit wil kijken. De jonge Urkers die zich voelen weggezet door de rest van Nederland. Ik denk aan de jongerenwerkers die weer een dubbele rol moeten spelen richting hun leeftijdsgenoten: zij belichamen het spanningsveld tussen de vrijheidsdrang van de jeugd en de beheersingsdrang van de overheid in deze crisis. Hoe zal het al deze jongeren vergaan in de toekomst?

De jongerenwerkers die we hebben geïnterviewd in Oost-Nederland konden helaas niet met hun echte namen worden vermeld in dit artikel omwille van hun werk. De namen van Lofti (20), Sara (23), Rico (22) en Mohammed (17) zijn bekend bij de redactie.

Koen Bruning
Opiniemaker | + berichten